Verwondering - blog van Walter De Block

In losse opeenvolging zal Walter De Block (Gent) ons deelgenoot maken van bijzondere waarnemingen en daarmee verbonden overpeinzingen en gedachten. Walter, die vele jaren biologie en scheikunde heeft gegeven aan de Vrije School in Gent, is een verwoed vogelaar en een enthousiast fenomenoloog. Maar in zijn teksten kijkt hij verder dan de vogelwereld. Alles in de natuur wat verwondering wekt, en daardoor innerlijke activiteit op gang brengt, kan aanleiding worden voor een nieuwe aflevering van dit blog.

Werelden, elementen en grenzen.

Ik zit op de rotsen aan de rand van een bergmeer in de Fuente Carriones in Spanje. De oeverzone, zowel op het land als in het water is groen, verder in het meer is er een bruin gerimpeld wateroppervlak van drijvende waterplanten. Onder het water zie ik niets. In de lucht draaien enkele gieren hun eindeloze toeren in de doorzonde blauwe hemel. Plots verschijnt een dwergarend die met een spectaculaire duikvlucht zich op iets in het oevergroen wil storten. Blijkbaar tevergeefs en met een elegante zwaai vliegt hij weer verder.

 Ik begeef me met duikbril en snorkel in het frisse water. Onder het oppervlak openbaart zich een voordien bijna onzichtbare wereld. De waterplanten zijn fonteinkruiden. Vanop de bodem groeien ze als slanke stengels omhoog. Doordat ze zo lang en smal zijn en helemaal gedragen door het water hebben ze een zekere teerheid en kwetsbaarheid. Bovenaan groeit een bloeiaar, met de gesloten knoppen dicht opeen. Sommigen zijn al boven water anderen nog diep onder zodat ze deze zomer het oppervlak niet meer halen.

Het licht beweegt zich in banen tussen de plantenstengels en regelmatig zijn er paren tegenovergestelde blaadjes die wit het licht reflecteren. Het geheel is een doorlicht woud van opstijgende, zeer dunne beweeglijke linten. De bloeiaren streven naar de warmte- en luchtwereld boven de watergrens. Pas daar kunnen zij hun bloemwezen ontplooien. Vanuit de diepte stijgen ze op om tot bij deze andere wereld te komen.

 Ik ben geraakt in vele opzichten. Door het beeld van de tere opstijgende stengels die hun bloemen naar een andere wereld willen brengen. Door de stilte onder water waarin het licht mysterieus wevend naar beneden stroomt. Door het zuivere streven van de fonteinkruiden naar boven - wat een tegenstelling met de snelle arend, begerig duikend naar zijn prooi.

Het is midden in de zomer en plots word ik door deze beelden zo naar binnen geloodst in deze kathedraal onder water.

Een laatste dans in de Hoge Venen

Zijn mooie pak is zwart met hier en daar wat wit. Zijn kop is getooid met opvallende vergrote rode kamvormige wenkbrauwen aan de zijkanten. Hij neemt uitdagende poses aan, draait rondjes met kop vooruit en de staart omhoog. De sierlijke liervormige buitenste staartpennen zijn hierbij gespreid en het wit van de onderstaartveren contrasteert sterk met het zwarte kleed.

Onverwacht gooit hij kop en staart omhoog, gaat vooruit in de aanval, springt plots in de lucht, … het baltsen van de korhaan is in volle gang. Het bubbelende koeren en de fluitende en sissende geluiden zijn door de afstand weliswaar niet te horen.

 Alleen, hij is hier helemaal alleen! Geen hennen die het schouwspel welwillend bekijken, geen tegenstanders die hem opjutten in het baltsende dansen.

Op de Hoge Venen wordt de sterk uitgedunde populatie korhoenders aangevuld met Zweedse vogels. Toch is dit mannetje dit jaar blijkbaar alleen. Zelfs de aanvoer uit Zweden heeft niet mogen baten. De klimaatopwarming en gebrek aan insecten voor de jongen, spelen al langer een rol bij het verdwijnen van de Belgische en Nederlandse vogels.

 Maar het is voorjaar en dus is ons mannetje in stemming en boldert…

Als toeschouwer sta je dan te kijken naar dit prachtige spektakel, hoe dit instinctieve dierenleven zijn gang gaat, maar ook hoe ‘zielig’ het is, als zo’n beest alleen danst. Een vreemd beeld.

 Of toch niet zo vreemd?

De begrippen instinct, drift, begeerte kunnen helpen om te begrijpen hoe de korhaan tot zijn ogenschijnlijk zinloze baltsgedrag komt. Deze drie begrippen, of beter gezegd innerlijke strevingen, zijn bepalend voor het leven van de dieren.

Vanuit een drift, een stemming, gaat een dier beelden opzoeken eigen aan zijn wezen. Zo gaat een hongerige leeuw op zoek naar antilopen. Door het zien van een concrete antiloop wordt zijn begeerte gewekt en gaat hij sluipen. Hij doet dit volgens zijn eigen instinct.

 Zo ook bij de korhoen. Hij komt in het voorjaar in baltsstemming en zoekt een bolderplaats. Ziet hij deze, dan vlamt in hem de begeerte op te bolderen, hennen hoeven er zelfs niet te zijn. Het  instinct schrijft hem voor welke pasjes hij moet maken.

Dat is typerend voor enkele hoendersoorten: in het baltsen zijn ze niet onmiddellijk gericht op een partner zoals dat bijvoorbeeld bij futen of het visdiefje, dat met een visje zijn wijfje bekoort, wel het geval is. Nee, het bolderen op zich is in eerste instantie genoeg, alleen of met andere mannetjes. Het is een activiteit waar de mannetjes zo geheel in opgaan, dat ze zich in een zelfgesponnen cocon deels afsluiten van de wereld.

Bij andere grondbaltsers zoals grote trappen ontstaat ook een dergelijke stemming, ze pronken tot en met, maar de grootste bluffers paren niet noodzakelijk met het meeste aantal wijfjes. Het tegendeel is eerder het geval!

Onze korhaan geniet daar zijn eigen spel en wij, als toeschouwer, van de beelden van zijn laatste dans... want de kans is groot, dat het niet meer lang zal duren voor de iconische vogel van de Hoge Venen verdwenen is.

 

Tierelieren

Het is zomer en de leeuwerik zingt. Ik leg me op mijn rug in het warme vochtige gras. Mijn arm beschermt mijn ogen tegen het felle zonlicht. Ik geef me over aan de zware aarde en het onafgebroken tierelieren dat hoog boven mij klinkt. Het is een zang die mijn hart wijd openmaakt en innerlijk een vredige ruimte schept. Het is alsof er een niet te lokaliseren klankwolk boven mij hangt. Als malse regen daalt de zang naar beneden en het is goed dat te voelen.

Als ik mijn ogen open en de lucht afspeur dan moet ik me eerst aanpassen aan het verblindende licht. De hemel is enerzijds verzadigd van licht, maar anderzijds is er ook een ijlheid in de lucht die zich opent naar boven, naar daar waar de zon hoog staat. Ik zie geen vogel.

Zo fel als het licht, zo fel zingt hij, buiten zichzelf, in een oneindige lichtheid, als een verklanker van de in de zomer warmte schenkende zon.

En dan is er toch iets zeer kleins... het verdwijnt weer, nee het is er terug. Daar is de leeuwerik! Zingend, in fasen steil dalend, zich overgevend aan de zwaarte, komt hij terug naar de aarde om snel te verdwijnen in het gras. Zowel in de hemel als op de aarde is hij thuis. Voor het oog is hij grotendeels niet waarneembaar.

Aan de andere kant begint er weer één te zingen. Fladderend klimt hij hoger. Ik hoor hoge tonen die trillen, vele strofen na elkaar, herhalingen. Op grotere hoogte ontglipt hij me weer, alsof hij plots door een gordijn in de onzichtbaarheid verdwijnt. De opstijgende leeuwerik maakt je van vier verschillende sferen, van kwaliteiten bewust. Eerst de dichte aardesfeer waar hij op de grond thuis is en waar ik lig, dan de sfeer waarin hij als opstijgende vogel te lokaliseren, punctueel zichtbaar is: de oogwereld. Dan verdwijnt hij voor het oog en schept een klanksfeer onder de zon, het is hier dat de hemel onzichtbaar zingt. Daarboven is de alles doorwarmende zonnesfeer.

Ik sluit weer mijn ogen. De polariteit van deze aarde- en hemelvogel raakt mij.

Wat een zegen was het nog voor vorige generaties om dagenlang werkend op de velden omhuld te zijn door dit welluidend tierelieren. Ik ben hier in Noord-Groningen, in een akkerbouwgebied met verschillende akkeronkruid-stroken en zelfs ‘kruidenvelden voor vogels’.

Hier heeft de mens weer de leeuwerik ter harte genomen en hij zingt …