Het mini-project in het eerste blok

Eerste waarnemingsoefening

We zijn het eerste blok goed begonnen. Het was goed te zien hoe het nieuw ingevoegde element van de mini-projecten in goede aarde viel. Iedereen heeft via de kleine onderzoeksthema’s meteen zelf kunnen ervaren, welke stappen horen bij het doen van een fenomenologisch onderzoek.  

Vanuit de verschillende vakdisciplines zijn onderzoekthema’s voorgesteld waaruit iedere deenemer een onderzoeksthema heeft gekozen. Met het mini-project oefenen we de methodiek van de fenomenologie. Het geleerde kun je toepassen in je eigen onderzoek waarvan je het thema zelf bepaalt en waaraan je gedurende de gehele opleiding werkt.

Zie verder onder Eigen onderzoek: http://www.fenomenen.com/425377788 

Voorgestelde onderzoeksthema’s voor het mini-project

Natuurkundige thema’s

Zoektocht is het vinden van de gestiek van het fenomeen door het opzetten van een waarnemingsreeks.

  1. Kaars. Vlamwaarnemingen

  2. Licht – donker ervaren. Ontstaan van kleur. Rood/ blauw

  3. Kleurenvariaties in de atmosfeer

  4. Kijken naar contrasten met de zon mee, dwars erop, tegen de zon in.

  5. Kijken door een prisma.

  6. Het oplichten van dingen in gekleurd licht.

  7. Evenwicht. Kijken/ zien tov horen.

  8. Koken/ vriezen

  9. Toon/ klank ervaring in relatie tot trilling

  10. Geluid/ klank/ zang / spreken/

  11. Gestiek van magnetisme

  12. Elektriciteit door contact/ wrijven

  13. Waarnemingservaringen warmte, klank en licht/donker

 

Scheikundige thema’s

Net zoals bij natuurkunde geldt ook hier dat het erom gaat een waarnemingsreeks op te zetten en daarna het gebaar van het fenomeen te vinden.

  1. Vergelijking suiker met boter

Gebruik voor het onderzoek aan suiker en boter het bijgeleverde petroleum, water en alcohol. Je kunt ook gebruik maken van een brander. Bedenk zelf proefjes en vergeet niet je zintuigen zien, ruiken, proeven, tasten te gebruiken.

  1. Grondonderzoek

Kies twee verschillende soorten grond rondom Helicon en onderzoek ze met je zintuigen zien, ruiken, proeven, tasten. Gebruik ook water en als je wilt zoutzuur.

  1. Vergelijking zetmeel en eiwit

Onderzoek maïzena en het wit van een ei. Gebruik je zintuigen zien, ruiken, proeven (enkele minuten in mond laten) en tasten. Voeg een beetje water toe en kijk en voel wat er gebeurt. Voeg meer water toe en kijk en voel water er verandert. Ga zo door tot dat een dun, waterige toestand ontstaat. Verwarm een zeer verdunde waterige toestand.

 

Biologische thema’s

Hierbij gebruiken we steeds de zogeheten vergelijkende methode; ga waarnemen, stel de overeenkomsten en verschillen vast, doorleef deze waarnemingen en benoem vervolgens het eigene (gebaar, kwaliteit) van de vergeleken onderzoeksobjecten wat zich op grond van je waarnemingen in jou uitspreekt.

  1. Vergelijk met elkaar een eik en een berk – bouw, manier van bewegen, beleving. Kan ook met grove den en fijnspar.

Mogelijke blikrichtingen: Hoe verschillen de knoppen (kleur, vorm, plaatsing, stand), hoe is de systematiek van groeien, bouw van stam/takken/twijgen, manier van bewegen in de wind, rangschikking en vorm van de knoppenbeleving. Welk specifiek gebaar laten zij zien.

Welk gebaar laat de schors zien. Welke kwaliteiten hebben de wintergestalten (hoe staat de voet in de grond, hoe vindt de vertakking van de kroon plaats, hoe is de overgang van hoofdstam, naar zijstam naar tak naar twijg, hoe beëindigen de knoppen de twijgen).

  1. Idem. Met eik en beuk.

  2. Idem. Met berk en zwarte els

  3. Kijken naar knoppen. Rondgang, tekenen, impressies. Wat is een knop “eigenlijk”?

  4. Vervolg hoe de sneeuwklok tevoorschijn komt, zich strekt, zich opent. Ook ondergronds kijken! Kan ook met de krokus.

  5. Verschillende manieren van lopen en vliegen bij duiven en kraaien. Spreekt zich daarin iets over het karakter uit?

  6. Twee dierschedels. Wat kun je uit deze schedels (dus niet uit voorkennis) over deze dieren leren?

  7. Vergelijk chimpansee of andere primaat met mens. De gestalte, de manier van bewegen, het gezicht, het (achter)hoofd, de handen en voeten, de ledematen, het gebit.

  8. Bestudeer een bloeiende hazelaar, zo mogelijk ook een zwarte els.

  9. Teken mannelijke en vrouwelijke bloemen. Let ook op de knopvorm van de hazelaar. Karakteriseer.

  10. Verricht waarnemingen aan de merel: stijl van lopen, voedsel zoeken, vliegen, geluiden, lichaamsbouw. Wat voor karakter.

  11. Twee bomen. Stam, kruin, knoppen, blad. Hoe spreid het blad, hoe steken de takken de ruimte in, hoe beweegt het in de wind.

  12. Van zaad via ontkiemen, groeien van bladstengel naar bloei naar zaad. Waarbij het sterven van de plant meegenomen kan worden. Door twee planten te volgen komen de karakteristieken sterker tevoorschijn.

  13. Vergelijk de vorm van struik en een boom met elkaar. Hoe is de structuur van de gestalte en welk groeiproces toont zich hieraan. Karakteriseer dit groeiproces.

  14. Vergelijk twee voorjaarsbloeiers met elkaar; groeiwijze, bloei-expressie, gestalte, bladvorm, kleuren enz.

  15. Zoek processen op van groeien en vergaan in de natuur, welke eigenschappen en kwaliteiten tonen deze processen.

  16. Kies twee organen uit en vergelijk ze met elkaar; anatomie, werking, beweging, vorm, kleuring enz. Bijv. Lever en hersenen; hart en longen; nieren enz.

  17. Vergelijk oog en oor (bouw, vormen, werkingsprincipes) met elkaar en evenzo het kijken en luisteren. Ook interessant ruiken en proeven.

  18. Vergelijk twee diergroepen (de vogels en de vissen of reptielen en amfibieën), met elkaar. Wat is de kwaliteit van iedere groep.

  19. Vergelijk het rups-, pop- en vlinderstadium met elkaar.

  20. Ga naar buiten en kijk hoe twee verschillende vogelsoorten zich aan jou tonen. Geluid.

 

Geologische thema’s

  1. Gesteentereeks: olivijn, basalt, graniet, gneis

  2. Gesteentereeks: schist, fylliet, kalksteen, zandsteen, klei/leisteen

  3. Diverse kristalvormen

  4. Grondsoorten (zand, silt, klei, veen)

 Geologische processen nabootsen in klaslokaal:

  1. Tektoniek, schuivende platen (met zandbak, verschillende kleuren zand)

  2. Erosie en sedimentatie (met zand-waterbak)

  3. Wolkenvormen

  4. Bodemonderzoek

  5. Zeekleilandschap

  6. Zandlandschap

  7. Veenlandschap

  8. Kustlandschappen (fjorden, kliffen etc)