Fenomenologie van de biologie - Willem de Vletter (feb 2017)

1859: na twintig jaar wachten ...

In onze tijd klinkt alom de roep om menselijkheid, integriteit, verantwoordelijkheid, zingeving. Het zijn centrale thema’s in scholen, in managementontwikkeling, in patiëntenkringen, in ouderenbeleid. Het blijken fundamenteel menselijke kernbegrippen te zijn.

Echter: in de biologie als wetenschap en dus ook in de biologielessen wordt dit ‘geloof’ met wortel en tak uitgeroeid. Leven wordt consequent gereduceerd tot chemie. Bewustzijn wordt gereduceerd tot neuronenactiviteit. Het menselijke wordt beschreven als dierlijk.

Deze neiging van biologen tot dood-denken is opvallend verbeten. Op afwijkende ideeën wordt gereageerd als op een wespensteek, alsof het gaat om onkruid dat de oogst in gevaar brengt. Hinderlijk en schadelijk dus.

Hoe kan het dat dit fenomeen juist bij de biologie zo sterk speelt?

Biologie: het braafste jongetje van de klas

Rond 1550, 1600 vonden wetenschappers als Copernicus en Galilei natuurkundige wetten waarmee ze met het denken vat kregen op de natuurkundige processen van de wereld en in het heelal. Met de ontdekkingen die zij deden schopten zij tegen het zere been van de kerk die toen nog een oppermachtige maatschappelijke realiteit was. Aanvankelijk mochten deze op schrift gestelde ideeën alleen uitgegeven worden onder de voorwaarde, dat vermeld werd dat het zou gaan om een zuiver wiskundige benadering die niets met de werkelijkheid te maken had. Galilei, die de ontdekkingen van Copernicus verder uitwerkte, liet zich niet zonder meer in die hoek drukken. In de tweede helft van zijn geschrift maakte hij aan de hand van een dialoog duidelijk waar het op stond. De uitspraken van de paus maakte hij daarin belachelijk. Hij moest daarvoor boeten. Het kwam hem op huisarrest te staan.

Twee eeuwen na de ontdekkingen van Copernicus (1550) werd de ban van de geschriften van Galilei opgeheven: in 1758. In een periode van twee eeuwen veroveren de natuurkundigen zich dus een plaats in de wereld voor de ideeën die zij door zorgvuldig waarnemen en denken hebben ontwikkeld.

En wat doen de biologen in deze periode?

In de tijd dat Copernicus door zijn telescopen tuurde, begonnen de biologen in lijken te snijden. Met het boek van Aristoteles ernaast. Wanneer zij tijdens dit onderzoek verschillen ontdekten tussen wat zij zelf zagen en wat Aristoteles had beschreven, dan was de conclusie: ‘Het lijk klopt niet.’

En twee eeuwen later?

Rond 1750 komt de bioloog Linnaeus met een uitgebreide taxonomische beschrijving en indeling van het planten- en dierenrijk. Deze ‘boom’ zou opgevat kunnen worden als een afstammingsreeks. Dat zou confronterend zijn naar de kerk. Schepping en evolutie stonden op gespannen voet. Linnaeus benadrukt echter dat deze ordening ‘ter meerdere eer en glorie van God is’. Dus: op het moment dat de kerk de natuurkundigen rehabiliteert, buigen de biologen nog braaf.

Pas rond 1800 durft Lamarck het aan om de knuppel in het hoenderhok te gooien: hij deed een poging om evolutie wetenschappelijk te onderbouwen. Hij kreeg de wind van voren. 35 jaar later ontdekt Darwin evolutionaire wetmatigheden met betrekking tot natuurlijke selectie. Het taboe is dan nog zo sterk dat hij 20 jaar lang wacht om te publiceren. Het laatste zetje daartoe krijgt hij als zijn collega, de Engelsman Wallace, hem in 1858 een essay stuurt met vergelijkbare ideeën. 

Dat is het moment dat Darwin besluit om zijn ‘Origin of Species’ te publiceren. En dan gaat het roer snel om. In korte tijd worden Darwins gedachten algemeen aanvaard binnen wetenschappelijke kringen. Verdere onderbouwing volgt met name rond 1900 door de Nederlander Hugo de Vries, die de wetten van Mendel verbindt met de selectiegedachte van Darwin. De ontdekking van DNA door Watson en Crick rond 1950 gooit de deur definitief in het slot: de kerk is buiten spel gezet.

Samenvattend kan dus gezegd worden dat biologie als wetenschap zo’n 250 jaar achterliep op natuurkunde, in het zich losscheuren van de kerkelijke dogma’s. Zou Linnaeus niet al lang gedacht hebben aan evolutie, maar het niet hebben durven uitspreken? En welke biologen nog meer, als je bedenkt dat Darwin 20 jaar voor de drempel blijft staan?

Biologie, het braafste jongetje van de klas, heeft ruim twee eeuwen nodig om op te durven staan tegen de religieuze dogma’s. Eenmaal los, laat hij zich niet meer terugsturen in zijn benauwde schoolbankje.

En nu dan?

Het lijkt wel of we als biologen en als samenleving worstelen met dit boze schoolkind. Zodra hij ook maar een vleugje ‘God’ bespeurt gaan alle haren overeind: “Nooit meer, nee, nooit meer terug in het internaatsuniform!” De natuurkundigen hebben al lang hun beheersdrift verloren en durven denken in relativiteit, in scheiding van plaats en tijd, in snaartheorieën, in beïnvloeding van het experiment door waarneming. Rond 1920 dachten zij dat ze alles zo’n beetje in de pocket hadden, maar vanaf Einstein hebben ze geleerd om het mechanistisch wereldbeeld los te laten en met onzekerheid om te gaan. Zo ver zijn de biologen nog niet. Vakbladen staan nog bol van juich-berichten van onderzoek waaruit (weer!) blijkt dat het neo-Darwinisme de waargenomen feiten verklaart.  Het lijkt wel jongleren met één bal. En iedere keer weer applaus verwachten als de bal gevangen wordt.

Hoe erg is dat? Moeten we hem, het boze schooljongetje, niet gewoon de tijd en de ruimte geven?

Onderwijs en wetenschap in de 21e eeuw

Het is de vraag of onze huidige generatie nog wel zoveel last heeft van die boosheid. In de praktijk blijkt dat nogal mee te vallen. Leerlingen, met name middelbare scholieren, moeten de wereld nog in hoge mate leren kennen. Van veel dingen hebben ze nog geen flauw idee. Ze zijn nog niet zo voor-ingenomen als we misschien wel denken. Ze staan wagenwijd open voor wat wij hen te vertellen hebben over hoe de wereld er volgens ons uit ziet. Wij kunnen hen weliswaar gemakkelijk inleiden in het gereduceerde mens- en wereldbeeld. Dat doen we ook bij voortduring met de voorgeschreven biologische inhouden (lees: exameneisen). Die sluiten probleemloos aan bij de populair wetenschappelijke no-nonsense-gedachten die de leerlingen van alle kanten oppikken. Maar we kunnen hen ook de ogen openen voor vragen en onopgeloste zaken. We kunnen hun horizon verbreden en daarmee hun denken bevrijden van de (alleen maar) materialistische tunnelvisie.

Binnen de wetenschap staan steeds meer vrijdenkers op die met nieuwe baanbrekende gedachten en ideeën komen. Laten we die niet aan onze leerlingen onthouden. Wanneer we die aan onze leerlingen meegeven zullen zij kunnen aansluiten bij de nieuwlichters. Zij zullen leren herkennen wat echt vernieuwend en helend kan zijn.

Op dit moment geven we binnen het onderwijs een dubbele verwarrende boodschap af. Enerzijds doen we een appèl op de zelfstandigheid en de verantwoordelijkheid van de leerlingen, anderzijds geven we - in elk geval binnen de biologie - een mensbeeld af, dat die vermogens consequent ‘wetenschappelijk’ onderuit haalt. Dat zouden we moeten kunnen doorbreken.