Openbaar geheim - Willem Beekman (2020)

Eind september is bij Uitgeverij Christofoor "Openbaar geheim" verschenen, waarin bioloog en verteller Willem Beekman je gidst door de plantenwereld en het dierenrijk. Over samenwerking tussen dieren, de ontwikkeling van organismen en dat wat ons als levende wezens met elkaar verbindt. Met illustraties van de auteur zelf. 156 p., € 22,95.

Willem Beekman (1950) studeerde biologie in Amsterdam. Hij was docent aan de biodynamische landbouwschool Warmonderhof en Wageningen Universiteit. Ook was hij directeur van de Hortus Botanicus in Amsterdam, consulent outplacement, trainer en coach.

Hij was een geliefd spreker op congressen en bij (semi) overheidsinstellingen. Beekman is auteur van boeken over biologische en astronomische onderwerpen. Hij raakt mensen met zijn enthousiasme en zijn kennis van de natuur. De wijsheid en schoonheid van planten en dieren zijn voor hem een onuitputtelijke bron van inspiratie. Beekmans brede kennis en vlotte schrijfstijl maken "Openbaar Geheim" een fascinerend en toegankelijk boek over wat wij kunnen leren van de natuur.

Overeenkomsten tussen de natuur en thema’s uit het bedrijfsleven; bioloog Willem Beekman heeft er talloze lezingen over gehouden. De wens deze verhalen en inzichten te bundelen resulteerde in een leerzaam maar ook persoonlijk boek over wat hem raakt in de natuur. Zo vertelt Beekman vol vuur over leiderschap: “In de mensenwereld hebben we altijd leiders nodig. In de natuur zijn veel voorbeelden te vinden waarin er geen leider is en het toch heel goed gaat. In het bedrijfsleven wordt daar altijd met verbazing naar gekeken.”

Lessen uit de natuur

Spiraal aloë

Bedrijven kunnen kunnen mooie lessen leren uit de natuur, zo stelt Beekman. Lessen over samenwerking en leiderschap: “Die lessen zijn niet altijd één op één te vertalen naar de mensenwereld, maar de verhalen inspireren en daar was het mij om te doen. Zo vertel ik over de wijsheid van de savanne waar zebra en struisvogel elkaar vinden op hun expertise om zich sterk te maken tegenover een roofdier. Tal van voorbeelden laten de samenhang en wijsheid in de natuur zien. Denk bijvoorbeeld aan zwermen vogels en scholen vissen die zich zeer geordend bewegen zonder leider. Daar lijkt wel een soort ordenend principe aanwezig dat je niet in de afzonderlijke dieren aantreft. De leider is het geheel. Dat vind ik fascinerend.”

Ook van de planten is veel te leren, aldus Beekman: “Ik heb vaak gekeken naar vorm en ontwikkeling in de plantenwereld. Planten weten uitstekend hoe met grondstoffen en beperkingen om te gaan en daar leert de ecologie een les aan de economie. Wetmatigheden die ik bij planten zie, kunnen ons tot voorbeeld zijn, bijvoorbeeld bij onze uit de hand gelopen markteconomie waarbij altijd maar doorgroeien de wet is. Er is geen plant die dat doet.”

Beekman heeft als coach vaak de natuur als metafoor gebruikt om mensen inzicht te geven in hun eigen proces: “Beelden uit de natuur kunnen je sterk aanspreken, zoals de ontwikkeling van rups naar vlinder of de ontwikkeling van een bloemknop. De natuur dient hierbij als spiegel voor het eigen innerlijk en dat bleek een vruchtbare methode.”

Autobiografisch

Beekman als spreker

Toch is het boek van Beekman meer geworden dan een verzameling lezingen:

“Eerst wilde ik het boek schrijven vanuit thema’s die in mijn lezingen centraal stonden, zoals leiderschap, communicatie, samenwerking en verandering. Maar ik heb er uiteindelijk toch voor gekozen het een persoonlijker boek te maken: de rode draad is nu mijn eigen biografie. De verhalen waren leerzaam en inspirerend, maar ikzelf stond er als verteller buiten. Een vriend merkte op dat ik altijd persoonlijk zeer getroffen ben door de natuur en daar vol passie over spreek. Hij adviseerde mij om deze verwondering als uitgangspunt te nemen. Op die manier kan ik de lezer veel meer enthousiasmeren; ik kan aangeven wat mij nu zo raakt in een bepaald dier of plant en dat werkt heel aanstekelijk.

Dat is ook de reden dat ik ben gaan tekenen. Ik had nooit gedacht dat ik het boek zelf zou illustreren. Ik wilde eerst - heel saai - de plaatjes van PowerPoint gebruiken. Maar door zelf te illustreren is er een wisselwerking ontstaan tussen de tekening, wat ik schrijf en mijzelf. Voor mij is de draaggolf van die wisselwerking de schoonheid van de natuur. Die is niet alleen verbluffend, maar ook onuitputtelijk.”

In 2016, op het congres “Microkosmos – macrokosmos” in het Amsterdamse Artis, was Willem Beekman een van de sprekers. Het congres was georganiseerd door de Stichting Demeter en de Biodynamische Vereniging rond het thema "Landbouw tussen hemel en aarde". Hieronder een fragment uit het verslag van de bijdrage van Beekman.

Zo boven, zo beneden - Willem Beekman (2016)

Nautilus - getekend door Beekman

"Wij zijn gemaakt van sterrenstof”, legt Willem Beekman uit, wijzend op de scheikundige elementen die ons vanaf onze oorsprong verbinden met de rest van het heelal. Ter illustratie van het aloude motto “Zo boven, zo beneden”, reikt Beekman spectaculaire voorbeelden aan van de weerspiegeling van de maanfasen in het voortplantingsgedrag bij Palolo-wormen en oesters.

De maan is de “Zeitgeber”, de klok die maakt dat alle dieren gelijktijdig hun eicellen en zaad aan het zeewater toevertrouwen om bevruchting mogelijk te maken. “Zelfs in donkere laboratoriumomstandigheden vertoont de oester dit gedrag”, aldus Beekman: "De maan zit in het beest."

Ook in de schelp van de Nautilus is het maanritme zichtbaar. Deze inktvis voegt elke maan-maand een kamertje toe aan zijn schelp. Opmerkelijk is dat deze kamers verbonden zijn door een kanaal, dat de uitwisseling van gas en vloeistof mogelijk maakt, waardoor de inktvis kan dalen naar een diepte van 500 meter. Volgens Beekman kunnen we hiervan leren om bij stress “…vast te houden aan onze kern, maar tegelijkertijd open te staan voor onze omgeving.” Samenvattend vinden we maaninvloeden met name daar waar water is. Ook bij de kieming van bonen en in het gedrag van regenwormen zijn de maanfasen terug te vinden.

De zon laat met name in de plantenwereld een ander ritme zien. Naast het vanzelfsprekende dag- en jaarritme is dat de elfjarige cyclus van verhoogde zonneactiviteit. Beekman toont dit aan in de jaarringen van bomen, maar ook in meerjarige kiemproeven en zelfs in het optreden van griepepidemieën.

Tot slot wijst Beekman ons op de schoonheid in de samenhang van micro- en macrokosmos. Als voorbeeld laat hij de vijfster zien in de baan die de planeet venus beschrijft en de treffende overeenkomst met de vijftallige bloem van een roos of een vergeet-me-nietje: “Zo boven, zo beneden!”

Terugkijkend op de leerervaringen van deze congresdag voor biodynamische boeren, schetst Willem Beekman twee voorbeelden van “…de wijsheid van de natuur”: het jachtluipaard en de mestkever. Hij beschrijft hoe deze dieren hun eigen ecosysteem in stand houden: “…als veehouder en akkerbouwer van de savanne.” Het is aan de biodynamische boer om zich deze wijsheid eigen te maken in zijn omgang met de bodem.

Wat daarbij helpt - volgens Beekman – is veel te kijken naar de sterrenhemel: “…deze machtige wereld maakt ons bescheiden.” Veel lastiger is dat bij het kijken naar de microwereld waar onze kennis ons in verleiding brengt om op verschillende niveaus in te grijpen, te manipuleren: “…ook als dat misschien niet zo goed is voor de natuur, het ecosysteem en uiteindelijk voor onszelf.” Dat maakt ons tot een tovenaarsleerling. Beekman haalt hier Goethe aan, die in zijn tijd al zag dat naarmate de mens meer in staat is in te zoomen op de kleinste deeltjes van het leven, hij tegelijk een morele ontwikkelingsstap moet maken. “Dat wordt in de wetenschap nog niet gedaan”, aldus Beekman: “Wat kan, dat moet!”. Daarom is het zoeken naar een morele houding onmisbaar in de biodynamische landbouw. Zo besluit Beekman dat de mens - precies in het midden van het gepresenteerde spectrum tussen micro- en macrokosmos - een verantwoordelijke plaats inneemt. Een inspirerende conclusie, die met name de biodynamische boer een bijzondere rol geeft als bemiddelaar tussen hemel en aarde.

Fenomenologie van de biologie - Willem de Vletter (2017)

1859: na twintig jaar wachten ...

In onze tijd klinkt alom de roep om menselijkheid, integriteit, verantwoordelijkheid, zingeving. Het zijn centrale thema’s in scholen, in managementontwikkeling, in patiëntenkringen, in ouderenbeleid. Het blijken fundamenteel menselijke kernbegrippen te zijn.

Echter: in de biologie als wetenschap en dus ook in de biologielessen wordt dit ‘geloof’ met wortel en tak uitgeroeid. Leven wordt consequent gereduceerd tot chemie. Bewustzijn wordt gereduceerd tot neuronenactiviteit. Het menselijke wordt beschreven als dierlijk.

Deze neiging van biologen tot dood-denken is opvallend verbeten. Op afwijkende ideeën wordt gereageerd als op een wespensteek, alsof het gaat om onkruid dat de oogst in gevaar brengt. Hinderlijk en schadelijk dus.

Hoe kan het dat dit fenomeen juist bij de biologie zo sterk speelt?

Biologie: het braafste jongetje van de klas

Rond 1550, 1600 vonden wetenschappers als Copernicus en Galilei natuurkundige wetten waarmee ze met het denken vat kregen op de natuurkundige processen van de wereld en in het heelal. Met de ontdekkingen die zij deden schopten zij tegen het zere been van de kerk die toen nog een oppermachtige maatschappelijke realiteit was. Aanvankelijk mochten deze op schrift gestelde ideeën alleen uitgegeven worden onder de voorwaarde, dat vermeld werd dat het zou gaan om een zuiver wiskundige benadering die niets met de werkelijkheid te maken had. Galilei, die de ontdekkingen van Copernicus verder uitwerkte, liet zich niet zonder meer in die hoek drukken. In de tweede helft van zijn geschrift maakte hij aan de hand van een dialoog duidelijk waar het op stond. De uitspraken van de paus maakte hij daarin belachelijk. Hij moest daarvoor boeten. Het kwam hem op huisarrest te staan.

Twee eeuwen na de ontdekkingen van Copernicus (1550) werd de ban van de geschriften van Galilei opgeheven: in 1758. In een periode van twee eeuwen veroveren de natuurkundigen zich dus een plaats in de wereld voor de ideeën die zij door zorgvuldig waarnemen en denken hebben ontwikkeld.

En wat doen de biologen in deze periode?

In de tijd dat Copernicus door zijn telescopen tuurde, begonnen de biologen in lijken te snijden. Met het boek van Aristoteles ernaast. Wanneer zij tijdens dit onderzoek verschillen ontdekten tussen wat zij zelf zagen en wat Aristoteles had beschreven, dan was de conclusie: ‘Het lijk klopt niet.’

En twee eeuwen later?

Rond 1750 komt de bioloog Linnaeus met een uitgebreide taxonomische beschrijving en indeling van het planten- en dierenrijk. Deze ‘boom’ zou opgevat kunnen worden als een afstammingsreeks. Dat zou confronterend zijn naar de kerk. Schepping en evolutie stonden op gespannen voet. Linnaeus benadrukt echter dat deze ordening ‘ter meerdere eer en glorie van God is’. Dus: op het moment dat de kerk de natuurkundigen rehabiliteert, buigen de biologen nog braaf.

Pas rond 1800 durft Lamarck het aan om de knuppel in het hoenderhok te gooien: hij deed een poging om evolutie wetenschappelijk te onderbouwen. Hij kreeg de wind van voren. 35 jaar later ontdekt Darwin evolutionaire wetmatigheden met betrekking tot natuurlijke selectie. Het taboe is dan nog zo sterk dat hij 20 jaar lang wacht om te publiceren. Het laatste zetje daartoe krijgt hij als zijn collega, de Engelsman Wallace, hem in 1858 een essay stuurt met vergelijkbare ideeën. 

Dat is het moment dat Darwin besluit om zijn ‘Origin of Species’ te publiceren. En dan gaat het roer snel om. In korte tijd worden Darwins gedachten algemeen aanvaard binnen wetenschappelijke kringen. Verdere onderbouwing volgt met name rond 1900 door de Nederlander Hugo de Vries, die de wetten van Mendel verbindt met de selectiegedachte van Darwin. De ontdekking van DNA door Watson en Crick rond 1950 gooit de deur definitief in het slot: de kerk is buiten spel gezet.

Samenvattend kan dus gezegd worden dat biologie als wetenschap zo’n 250 jaar achterliep op natuurkunde, in het zich losscheuren van de kerkelijke dogma’s. Zou Linnaeus niet al lang gedacht hebben aan evolutie, maar het niet hebben durven uitspreken? En welke biologen nog meer, als je bedenkt dat Darwin 20 jaar voor de drempel blijft staan?

Biologie, het braafste jongetje van de klas, heeft ruim twee eeuwen nodig om op te durven staan tegen de religieuze dogma’s. Eenmaal los, laat hij zich niet meer terugsturen in zijn benauwde schoolbankje.

En nu dan?

Het lijkt wel of we als biologen en als samenleving worstelen met dit boze schoolkind. Zodra hij ook maar een vleugje ‘God’ bespeurt gaan alle haren overeind: “Nooit meer, nee, nooit meer terug in het internaatsuniform!” De natuurkundigen hebben al lang hun beheersdrift verloren en durven denken in relativiteit, in scheiding van plaats en tijd, in snaartheorieën, in beïnvloeding van het experiment door waarneming. Rond 1920 dachten zij dat ze alles zo’n beetje in de pocket hadden, maar vanaf Einstein hebben ze geleerd om het mechanistisch wereldbeeld los te laten en met onzekerheid om te gaan. Zo ver zijn de biologen nog niet. Vakbladen staan nog bol van juich-berichten van onderzoek waaruit (weer!) blijkt dat het neo-Darwinisme de waargenomen feiten verklaart.  Het lijkt wel jongleren met één bal. En iedere keer weer applaus verwachten als de bal gevangen wordt.

Hoe erg is dat? Moeten we hem, het boze schooljongetje, niet gewoon de tijd en de ruimte geven?

Onderwijs en wetenschap in de 21e eeuw

Het is de vraag of onze huidige generatie nog wel zoveel last heeft van die boosheid. In de praktijk blijkt dat nogal mee te vallen. Leerlingen, met name middelbare scholieren, moeten de wereld nog in hoge mate leren kennen. Van veel dingen hebben ze nog geen flauw idee. Ze zijn nog niet zo voor-ingenomen als we misschien wel denken. Ze staan wagenwijd open voor wat wij hen te vertellen hebben over hoe de wereld er volgens ons uit ziet. Wij kunnen hen weliswaar gemakkelijk inleiden in het gereduceerde mens- en wereldbeeld. Dat doen we ook bij voortduring met de voorgeschreven biologische inhouden (lees: exameneisen). Die sluiten probleemloos aan bij de populair wetenschappelijke no-nonsense-gedachten die de leerlingen van alle kanten oppikken. Maar we kunnen hen ook de ogen openen voor vragen en onopgeloste zaken. We kunnen hun horizon verbreden en daarmee hun denken bevrijden van de (alleen maar) materialistische tunnelvisie.

Binnen de wetenschap staan steeds meer vrijdenkers op die met nieuwe baanbrekende gedachten en ideeën komen. Laten we die niet aan onze leerlingen onthouden. Wanneer we die aan onze leerlingen meegeven zullen zij kunnen aansluiten bij de nieuwlichters. Zij zullen leren herkennen wat echt vernieuwend en helend kan zijn.

Op dit moment geven we binnen het onderwijs een dubbele verwarrende boodschap af. Enerzijds doen we een appèl op de zelfstandigheid en de verantwoordelijkheid van de leerlingen, anderzijds geven we - in elk geval binnen de biologie - een mensbeeld af, dat die vermogens consequent ‘wetenschappelijk’ onderuit haalt. Dat zouden we moeten kunnen doorbreken.

Literatuurtips - Willem de Vletter (2019)

Literatuur waarmee je je fenomenologische fantasie kunt sterken. Er worden concrete voorbeelden uitgewerkt. Daarnaast worden basale thema’s behandeld zoals licht en donker, spreiden en samentrekken, die op allerlei andere terreinen ook van toepassing zijn. Voor mij als beginnend fenomenoloog, was het alsof ik door de snoepwinkel van God mocht lopen.

Frits Julius - Metamorfose

De plantenwereld wordt in 7 groepen beschreven waarbij de planetenkrachten als leidraad worden genomen. Je leert je inleven in bladvormen, stengelgebaren, in bloeivormen. Aan de hand van enkele voorbeelden laat hij zien hoe een soort een compositie vormt.

Frits Julius - Bomen en planeten

Van dezelfde schrijver en nu worden 7 loofbomen onderscheiden.

Max Stibbe - Mensentypen

Hierin worden 7 typen mensen beschreven met de planeten als leidraad.

Leen Mees - Levende metalen

Binnen de metalen worden 7 families beschreven.

Frits Julius - Dier tussen mens en kosmos

Hierin worden alle denkbare diergroepen en soorten beschreven als in één groot samenhangend geheel. Ontwikkelingsniveaus en polariteiten tussen groepen komen op een kunstzinnige manier tot leven. Het is vooral geschikt om een bepaalde groep of polariteit te bestuderen. Het is veel te omvangrijk om achter elkaar te lezen. De inhoudsopgave geeft veel steun bij het zoeken naar geschikte hoofdstukken of paragrafen.

Adolf Portmann - Het dier en zijn verschijning

Dit is geschreven door een bevlogen wetenschapper die zich verbaast over bepaalde structuren die hij tegen komt. Hij is geen fenomenoloog in de zin dat hij het wezen zoekt. Wel is hij een hele goede waarnemer en stuit op heel opmerkelijke fenomenen.

NB. Deze boeken worden niet meer uitgegeven. Maar tweedehands zijn ze via marktplaats of Bol.com meestal nog wel te verkrijgen.

 Zie ook Vakliteratuur onder de tab Meer Fenomenologie: 

http://www.fenomenen.com/427820580 

Nabespreking eerste biologieles - Willem de Vletter (12 april 2019)

Beste cursisten, Gisteren (donderdag 11 april) hebben we hard gewerkt, zo was mijn indruk. Dapper geboetseerd en getekend, geconcentreerd gekeken en geluisterd. Er was een sterke wil om echt te proeven en door te dringen tot dat wat zich wil openbaren. 

In het allerlaatste stukje, waarbij we ons afvroegen wat nu echt wezenlijk is, hebben we ook al enkele eerste stappen kunnen zetten. Onderweg naar huis realiseerde ik me wat een behulpzame vraag hierbij zou kunnen zijn:

Stel dat de koe een mens was. Wat voor mens zou dat zijn? 

Hierbij alvast een voorzetje:

Bij een koemens zie ik een dragende persoon voor me. Iemand die werkzaam en sociaal aanwezig is. Er is overvloed. Ook fysiek: lichamelijke postuur. Je kunt tegen zo iemand even aanleunen. Er is een duidelijke dynamiek van binnenuit. Er is zoveel eigen warmte en reserve, dat de koemens zich snel thuis voelt. Opruimen is niet erg vanzelfsprekend. Afspraken worden nagestreefd maar als het al te fijnmazig wordt, komt de koemens aan zijn grens. Het geneuzel laat de koemens graag over aan anderen. 

En de muismens?

De muismens houdt van precisie. Controle is van levensbelang. Een tengere gestalte is kenmerkend. Als je niet zeker weet dat het veilig is: niet doen! Het eigen domein is van groot belang. Daar kun je ordenen zonder dat anderen het verstoren. Alles goed in de gaten houden is vanzelfsprekend. Er is niet heel veel overschot dus het is belangrijk dat er geen onverwachte vragen komen. Die leiden snel tot ontregeling. Een snerpende piep helpt om de lomperiken op afstand te houden. Als je wil dat iets glashelder wordt uitgezocht: vraag het de muismens.

Tot zover deze beelden. Het was leuk geweest als we dit gisteren hadden gedaan. Dat had vast veel meer opgeleverd. Volgende keer zal ik dat zeker als slotoefening meenemen. 

Succes met het vervolg en waarschijnlijk tot in november bij de presentaties.