Menskunde - Wolter Bos (mei 2017)

Tussenkaaksbeen bij de mens

Biologen uit de tijd vòòr Darwin voerden discussies over het doorslaggevende verschil tussen enerzijds de mens, anderzijds de dieren. Zo’n verschil moest er zijn, meende men, ook in lichamelijk opzicht. Geruime tijd werd het ontbreken bij de mens van het tussenkaaksbeen in de bovenkaak, als het doorslaggevende verschilpunt  beschouwd.

Bij alle zoogdieren is dit bot, dat de snijtanden draagt, aan de voorkant tussen de twee kaakbeenderen ingevoegd. De mens heeft òòk een tussenkaaksbeen, maar het is bij hem zo vroeg en zo grondig met de kaakbeenderen vergroeid dat er geen naden zichtbaar blijven.

In uitzonderlijke gevallen zijn die er wel. Toen Goethe, de vader van de fenomenologie, het tussenkaaksbot bij de mens had ontdekt (1784), barstte hij in enthousiasme uit. Hij zocht het verschil tussen mens en dier niet in afzonderlijke details, maar in hun onderlinge metamorfose en in de specifieke manier waarop ze tot een geheel gerangschikt zijn.

En inderdaad, dit éne gegeven over botvergroeiing in de menselijke bovenkaak blijkt te passen in een context van allemaal verwante gegevens, in de schedel, in het bewegen etc. We zullen dat in dit menskunde-blok onderzoeken en zo de voor de fenomenologie kenmerkende stap van feiten naar samenhangend beeld zetten. En nog een volgende stap is mogelijk. Uiteraard is het menselijk skelet een functionele eenheid, net als elk dierlijk skelet. Maar bovendien kunnen zulke vormgevingsmotieven iets gaan zeggen over wat in lichaamsbouw, psychologie en spiritualiteit typisch menselijk is.